| De teloorgang van democratie |
|
|
|
| Geschreven door Ayberk Köprülü |
| vrijdag, 30 april 2010 01:00 |
|
Terwijl het Westen door middel van politieke, economische en/of militaire machtsmiddelen de democratie over de rest van de wereld promoot en verspreidt, loopt tegelijkertijd de democratie op eigen grondgebied een serieus gevaar. Sterker nog, het voortbestaan van de democratie wordt bedreigd. U denkt nu misschien automatisch aan de door sommigen alom aangehaalde ‘Trojaanse paarden’ als fundamentalisme, Islam, moslims enzovoorts (het overkwam mij vreemd genoeg ook toen ik deze zinnen aan het typen was; het zal wel door de media en de huidige tijdsgeest komen). Het werkelijke gevaar voor de democratie echter, is afkomstig uit een onverwachte hoek: wij, onverschillige burgers.
Onze participatie aan de politieke besluitvorming neemt namelijk steeds meer af. Cijfers laten zien dat de stempercenta ges met elke verkiezing nieuwe dieptepunten bereiken, overal ter wereld. Zelfs in Zwitserland, waar men traditiegetrouw massaal stemt, lijkt de opkomst bij de landelijke verkiezingen steeds verder te dalen. Niet handig voor de promotie van het democratische systeem natuurlijk. En zeker niet voor het voortbestaan ervan. Ook in Nederland zijn de cijfers omtrent opkomst bij de verkiezingen allerminst positief te noemen. Sinds de jaren tachtig zet een daling van de opkomst bij Tweede Kamer verkiezingen zich nog altijd voort. Toch rept in de aanloop van de verkiezingen in juni geen één partijleider over de zorgwekkende daling van de opkomst, laat staan over een oplossing. De economie en bezuinigingen lijken nu even belangrijker en voeren de boventoon in de campagnes. Die thema’s zijn natuurlijk ook cruciaal, zeker met de economische crisis achter de rug. Maar men onderschat het feit dat als de burger, de onmisbare schakel in de democratie, zich onthoudt van politiek activisme en politieke betrokkenheid, er op termijn niet veel over zal blijven van de democratie. In de media kennen wij de problematiek van de onverschillige burger als ‘de groeiende kloof tussen de burgers en de overheid’. Waarom is de kloof überhaupt ontstaan? En belangrijker, hoe zou je burgers kunnen prikkelen om weer mee te doen aan het besluitvormingsproces?
De daling van de politieke participatie heeft verschillende oorzaken. Politicologen hebben veel onderzoek gedaan naar deze problematiek. Uit die onderzoeken blijkt dat veel burgers geen behoefte hebben om te gaan stemmen, omdat ze simpelweg tevreden zijn met hun levens en de politiek hen verder niet boeit. Anderen zijn helemaal niet tevreden, althans niet over de huidige politiek: men heeft geen vertrouwen (meer) in politici en politiek en laat daarom de verkiezingen schieten. Hoe dan ook, weinig stemmen betekent een regering met een zwakke legitimiteit. Deze regering is weliswaar door een meerderheid van de stemmers gekozen, maar die meerderheid is kleiner dan de groep die niet heeft gestemd en de oppositie samen. Het gevolg is dat de regering meteen na dag één van haar intrede inspeelt op de publieke opinie met de hoop zielen te winnen en zo haar legitimiteit te verhogen. Dit werkt echter juist averechts, omdat op deze manier het beeld van de principeloze en manipulatieve politici die alleen in het belang van hun eigen carrière regeren wordt versterkt. De verkiezingsprogramma’s, de grote beloftes, de partijcongressen, de intense campagnes en uiteindelijk de verkiezingen lijken achteraf allemaal één groot opgezet toneelspel te zijn geweest, puur een gooi naar macht voor eigenbelang. Want ‘daarna doen ze toch wat ze zelf willen’, is de gedachte bij veel burgers. Natuurlijk komen dat soort gedachtes de participatie van de burger niet ten goede. Een kloof ligt dan voor de hand.
In het verleden hebben politici pogingen ondernomen om de kloof te dichten. Als je de actuele cijfers over opkomst en vertrouwen mag geloven, zijn de pogingen vooralsnog zonder succes geweest. Logisch zou je denken, want wat kun je verwachten als politici ‘op zijn Hollands’ het land in fietsen om ‘te praten met de burgers’? Komisch is het wel, maar effectief allerminst. Met alleen praten, zal de kloof niet verdwijnen. Zeker niet als het bij goedkope symboolpolitiek blijft. Een hervorming van de democratie is nodig. Dat kan door het invoeren van het ‘associationalisme’, oftewel een ‘verenigingsdemocratie’. Deze bestuursvorm is als een alternatief, als een ‘derde weg’ tussen het vrijemarktkapitalisme en het gecentraliseerde staatssocialisme, geïntroduceerd en uitgewerkt door de beroemde socioloog Paul Hirst. Hirst pleit dat de staat, de burgers ‘het goede leven’ niet moet opleggen, maar de burgers de ruimte moet bieden om de verscheidene mogelijkheden van dat goede leven zelf in te vullen. Daarom pleit hij voor het omvormen van zoveel mogelijk sociale activiteiten tot vrijwillige zelfbesturende verenigingen. Waar mogelijk, moet de hiërarchische corporatieve (staats)macht die aanwezig is, vervangen worden door vrijwillige verenigingen, zodat belangen van de burgers worden vertegenwoordigd door de maatschappij zelf en niet alleen formeel door de staat. Nu wordt de publieke sector gedomineerd door grote, hiërarchisch bestuurde organisaties die de publieke sector als bedrijven besturen, en grote bedrijven zijn ook de publieke sector gaan domineren. De burger is daarom beknot in de maatschappij waarin hij leeft en is steeds meer van de overheid gaan verwachten. De onverschillige houding van de burger is dus eigenlijk een logisch gevolg van ‘top-down’ besturen. Associationalisten willen daarom dat het van bovenaf opgelegd staatsbeleid wordt vervangen door ‘bottom-up policy’, van onderaf ontstaan en opgezet burgerbeleid. Met andere woorden, de burger krijgt van de staat de ruimte om (zichzelf) te besturen. Op die manier participeert de burger meer dan ooit in de besluitvorming. Dit zal ook een gunstig effect hebben op de opkomst bij de verkiezingen. Verder wordt dankzij associationalisme politieke gelijkheid onder de burgers bevorderd en worden er eerlijkere oplossingen gecreëerd voor hardnekkige problemen in de complexe samenleving. Zo gaat het niveau van de democratie omhoog.
Het klinkt allemaal heel mooi, maar hoe moet associationalisme in de praktijk vorm krijgen? Is het daarnaast wel slim om burgers, die eigenlijk geen professionele bestuurders zijn, autonomie te verschaffen?
In de praktijk organiseren de burgers zich in verenigingen door ervan lid te worden en onderling bestuurders te benoemen (die natuurlijk kunnen rouleren). Daarna ontwikkelen de vrijwillige bestuurders hun beleid aan de hand van de belangen van hun leden en op basis van een gemeenschappelijke publieke autorisatie: zijzelf. De financiën die nodig zijn om het beleid op te zetten, ontvangen de verenigingen van de staat. De verenigingen zouden dan vooral in de publieke sector op lokaal niveau zoals gezondheidszorg, onderwijs en ruimtelijke ordening actief kunnen zijn. Dit brengt een belangrijk voordeel met zich mee. De burgers denken namelijk ‘out-of-the-box’: zij hebben oog voor (lokale) problemen die ambtenaren niet snel herkennen. Hetzelfde geldt ook voor het bedenken van oplossingen. Want hoe vaak horen wij mensen niet klagen over dat ‘men achter hun bureau regeltjes bedenkt en oplegt die ver van de realiteit staan’? Ambtenaren kan je in dit geval echter niet veel kwalijk nemen. De maatschappij is tegenwoordig immers te complex, waardoor beleidsmakers vanuit één centraal punt niet altijd oog hebben voor de lokale problemen en lokale belangen van de burgers. Des te meer reden om associationalisme in bepaalde beleidsterreinen in te voeren.
Dat verenigingen beleid mogen ontwikkelen, betekent niet dat ze volledig autonoom zijn. De verenigingen zijn, zoals dat heet in de sociale wetenschap en is geïntroduceerd door de politicoloog Fung, ‘accountable autonom’. Een bovenlaag van beleidsmakers, een centraal orgaan, blijft aanwezig. Zij houdt toezicht op de besluitvorming, is de eindverantwoordelijke voor het beleid en bemiddelt bij eventuele conflicten. De burgerverenigingen zijn dus autonoom, maar moeten wel delibereren met de beleidsmakers. Het vernieuwen van de moderne democratie is niet makkelijk en is zeker niet zonder risico’s. Maar het alternatief is de teloorgang van de volksvertegenwoordigende instituties en de erosie van democratische normen en waarden. Daarom moeten wij haast maken met eerst het opknappen en inrichten van onze eigen ‘achtertuin’, alvorens wij ons sterk maken voor de consolidatie van jonge democratieën in het buitenland.
Ayberk Köprülü Email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. 30-04-2010
Wie nog meer over associationalisme en burgerparticipatie wil lezen kan ik de volgende literatuur aanraden: - Fung, A ‘Empowered Participation: Reinventing Urban Democracy’. Princeton 2004. - Hirst, P. Associative Democracy. Cambridge: Polity, 1993 - Hirst, P.‘Renewing Democracy through Associations’. Political Quarterly 73, nr.4, 2002, pp. 409-421. - Hajer, M. ‘Policy without Polity? Analysis and the Institutional Void’, Political Sciences 36, 2003, pp. 175-195.
|