| Het wonder van de citroenen |
|
|
|
| Geschreven door Jakob Milikowski |
| vrijdag, 11 juni 2010 02:00 |
|
Zangria was een stadje met een slotgracht, en drie bruggen die vanuit de woestijn, waarin het stadje gelegen was, naar binnen leidden. In de slotgracht had al sinds mensenheugenis geen water gestaan, en vrijwel niemand van de inwoners kon zich vandaag de dag nog de tijden heugen dat er nog gesproken werd over de strijd waarin het stadje ooit verwikkeld was geweest, en waarin de Sultan had besloten een slotgracht te graven, en die te vullen met limonade. Velen waren in die strijd onplezierig aan hun einde gekomen, spartelend in citroenlimonade, die bij het verzuipen ook nog eens brandde in de ogen.
Tegenwoordig groeide in de slotgracht een dorre citroenboom, die elk jaar drie of vier groengele vruchten afwierp. Deze vruchten werden dan door een optocht van schoolkinderen naar de grote moskee op het plein in het midden van de stad gebracht, en onder luid gezang aan Allah aangeboden, die ze niet opat, maar op het altaar waar ze werden neergelegd bruin liet worden. Dit veroorzaakte jaar op jaar zo een gevoel van teleurstelling en in-de-steek-gelatenheid bij de burgers van Zangria, en vooral bij de schoolkinderen, dat op een goede dag de wijze Imam Ibrahim besloot de citroenen, elf dagen na hun aankomst in de moskee, in het holst van de nacht, toen niemand het zag, naar achteren te brengen en in een mandje te doen, dat hij afdekte met een sluier, en onder zijn bureau zette. Toen de volgende ochtend vroeg de eerste families de moskee binnentraden, viel het de kinderen onmiddellijk op dat de citroenen niet meer op het altaar lagen. Een groot gejuich stak op, en de mensen barstten uit in gezang, en dansten hand in hand rond het altaar, zielsgelukkig dat de barmhartige Allah hun giften in ontvangst had willen nemen. De Imam stond in een hoek van de moskee toe te kijken, en pinkte een traantje weg, terwijl hij Allah vergiffenis vroeg voor deze list. Op het moment dat de pink van Ibrahim de traan raakte, klonk er een enorme dreun. Het altaar trilde en rinkelde op de stenen tegels van de moskee. Verschrikt stopten de families met zingen en keken omhoog, vanwaar een vreemd ruisen te horen was. Angstig keken zij elkaar aan. Het kleine jongetje Alim greep zijn moeders hand stevig vast, en vroeg haar met grote ogen: 'Zou Allah de citroenen niet lekker vinden?' Kleine Alim moeder legde haar hand geruststellend op zijn hoofd, en zei sussend: 'natuurlijk vond hij ze wel lekker, het waren prachtige citroenen!' Maar in haar hart vreesde zij dat haar zoontje het bij het rechte eind had, en dat Allah het fruit inderdaad te taai had gevonden. De Imam was ondertussen roerloods blijven staan, bevangen door een gevoel dat nog het meest op vrees leek, maar ook een beetje op blijdschap, en zo langzamerhand bekroop hem een intens verlangen om de moskee te verlaten. Toen Ibrahim schoorvoetend zijn eerste stapje zette, kwam ook de menigte families, geleid door een paar heel kleine kinderen die hun moeders meetrokken, in beweging. Zij schreden voorzichtig naar de deur, die ze langzaam open deden. En toen het kleinste kindje door de eerste kier naar buiten glipte, barstte hij verschrikt in huilen uit. Zijn moeder gooide de deur wagenwijd open, en bleef toen als aan de grond genageld staan. Uit de hemel, die zo donker was als hij hier in de woestijn zelfs in het midden van een maanloze nacht niet werd, kwamen duizenden, nee miljoenen druppels water naar beneden gevallen. Toen de Imam dit zag, zonk hij op de grond en dankte Allah, in tranen en in opperste verwarring, voor het in ontvangst nemen van die paar groengele citroentjes. Die hele dag bleef het regenen, en de daarop volgende nacht ook, en het regende de hele week, en bijna de hele maand. En toen het plotseling, op een vroege morgen, toen de Imam aan zijn bureau ging zitten en met zijn voet tegen een mandje stootte, en zich bukte om te kijken wat erin zat, ophield met regenen, was de slotgracht van Zangria gevuld met helder blauw water. En in de jaren die volgden, groeiden langs de oevers van de slotgracht meerdere citroenbomen die bloeiden in de lente, en aan het einde van de zomer helder gele en sappige vruchten gaven. En toen de kinderen met manden vol citroenen bij de moskee aankwamen, zei de Imam dat ze aan hun moeders moesten vragen er limonade van te maken, en op het plein een groot feest geven, waarop gezongen werd en gedanst. En de Imam hoopte dat hij het goede deed. Want in het leven van een Imam moeten soms moeilijke beslissingen worden genomen. En of het nu elk jaar bleef regenen in Zangria, of dat de slotgracht weer opdroogde? Raad zelf maar, want wie weet wordt jij later ook Imam. Jakob Milikowski Email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. |