|

Zij zegt, terwijl tranen over haar wangen op haar handpalm vallen: mijn zoon, in hoeverre is mijn naam nog de jouwe? In hoeverre zijn de stappen die jij neemt, genomen op basis van liefdevolle gedachte-experimenten? Dan doet ze een stap achteruit, kijkt naar haar rechtervoet en zegt: we hebben gestaan, gelopen, gerend, maar het mocht niet baten. Voet, zolang we het hart van mijn zoon niet hebben betreden, zal het lijken alsof de hiel zomaar ontkent dat ik heb gestaan, gelopen en gerend. Maar waarom, waarom moet het oog tegenstribbelen? Mensen, ik keek dagelijks naar het verdriet, dagelijks zagen mijn ogen tranen vallen, zodat zich het proces voltrok waarin mijn hart door overvloed aan verbeelding de deur opende om ook het oog te laten lijden. Mijn zoon: een onderdeel van organen, zienswijzen, zenuwen, ruggengraat en nachtelijke ontspanning. Als de waarheid constant was, had ik u gezegd dat het leed geleden heeft; voordat de buren mochten zien dat ik vernederd was, aan bloedarmoede leed en geen grip had op dat wat lachend over straat liep, was het leed al niet meer aan te wijzen.
Als zij dan op een zondagmiddag langskwamen en vroegen welke kleuren mijn zicht bepaalden, zei ik: als het zwarte tevoorschijn komt, wordt het witte zwart, als het witte tevoorschijn komt, komt het uiterlijk van mijn verloren wortel tevoorschijn en hoopt iets dat het witte ooit wit blijft. Menselijk denken disfunctioneert, ik zie ook geen herkenbare patronen in het verstrijken van tijd. Als het klokslag 12 is, tikken zowel de grote als kleine wijzer in tegengestelde richting. Als ik de klok beter probeer te bekijken, zie ik het allemaal gebeuren: 12,3,6 en 9. Allen, zijn zij getuigen geweest van tragisch verdriet. Tussen 12 en 3, 90 graden, zei hij voor het laatst: ‘’ tijdelijkheid bestaat uit het zien van een verlangen, vervolgens verlangt de mens meer dan dat verlangen, waarna sluipend 4 maal het derde verlangen langskomt totdat u wederkeert: klokslag 12 ‘’. Hebben moeders dan ooit ervaren hoe verbintenis breken kan? Ik loop naar de keuken: draai de kraan open, kijk naar de druppels die mijn glas in vallen en vervolgens denk ik aan die ene verbintenis, ik zeg hardop: 1 element: water, kon verschillende vormen aannemen. Water als regen of water als rivier. De functionele liefde is ziekelijk aanwezig wanneer vallende regendruppels in meanderende rivierstromen terechtkomen, dan zeg ik met een hese stem: toen het water regen was, was de toezichthouder niet het rivier, totdat de regendruppel opgaf; zij viel de snelstromende rivier in en werd deel van het geheel: water. Als het mens-zijn breed getolereerd zou zijn dan was mijn leed voelbaar voor hem. Kunt u mij dan niet vertellen waarom de huidige maatschappelijke context er een is van losstaande componenten, van afgrijselijke verbanden, van losbandige eigenschappen: ik ben ten einde raad. Ik hoor de overbuurman schreeuwen; de keuze om uit het raam te kijken, was toch niet zo slim geweest. Het bleek namelijk te zijn dat hij de confrontatie, hevig, aanging met zijn vrouw. Vanachter kwam een mollige, in het zwart geklede jongen die keihard schreeuwde: ‘’ Mama, zeg dat jij mijn mama bent. Want zonder jou heb ik geen mama ‘’. In verlatenheid gezonken deed ik een poging om emotionele uitbarstingen in bedwang te houden; ik rende naar mijn slaapkamer, greep de kussen en dook eronder met mijn hoofd. Hoe harder ik mijn ogen dichtkneep, hoe poëtischer mijn gedachten. Ik verdween in een podium van woordelijk gedans. En zo werd het leven gedragen door ritmische klanken:
De tijd kent geen besef; menselijk bewustzijn verstrijkt per gedachte. Gedenkt de liefde een patroon?
Is identiteit een persoon of een verborgen relatie, een verband tussen zonen en moeders?
Trekken trekvogels zomaar van gebieden, over luchten, tot aan het blauwe bogengehemelte?
Het zomaar doen, is dat vanuit drang, droefenis, denkbeeldige motivatie of deterministisch harmonie?
Het oog bedroog me; ik dacht zijn aanwezigheid te moeten zien als geruststelling, als vertoon van gelukkig samenzijn.
Nu, alleen, zeg ik u: de zoon die ik ken, kent zichzelf niet, de zoon die ik dacht te kennen, ken ik niet,
ken ik, kan ik?
|